Ulrum

Ulrum bestaat uit twee wierden . Je ziet dat de kerk op de meest westelijke wierde aan de rand van de wierde ligt. De Asingaborg lag op de oostelijke wierde, ongeveer ter hoogte van het verzorgingstehuis.

​Dubbele wierde

Ulrum ligt op een lange kwelderwal die vroeger de westelijke oever van de Hunzeboezem vormde. Het dorp ligt in een lint van wierden van gelijke ouderdom: Vierhuizen, Elens, Ulrum, de Houw, Leens, Wehe-Den-Hoorn. Het is een ‘dubbel wierdedorp’. Je kunt goed zien dat het in rechthoekige blokken is verdeeld. Rond 600-650 na Christus woonde men hier nog op de oorspronkelijke bodem, het niveau van de kwelder. Daarna groeiden de wierden snel in hoogte en breedte. De groei stopte rond 1200, toen het land door de aanleg van dijken beschermd werd tegen het water. Het was toen niet meer nodig hoger te wonen om droog te blijven.

Van de oostelijke wierde is een deel afgegraven. Dat deed men in de eerste 20 jaar van de 20ste eeuw, omdat de grond kon worden verkocht aan landbouwers in Drenthe, waar de grond minder vruchtbaar was.

De twee wierden zijn inmiddels vrijwel aaneengegroeid. Op de westelijke wierde staat een kerk uit de 12e eeuw. Bij de oostelijke wierde stond ooit de borg van familie Asinga.

In Ulrum zijn door de archeologen van het project ‘Terpen- en wierdeland’ grondboringen verricht om te bepalen hoe dik de wierde is en wat de samenstelling van de grond is. De oostelijke wierde is meer dan 4 meter hoog. Daaronder werd de natuurlijke, niet door mensen aangebrachte kwelderlaag aangetroffen. Beide wierden zijn ongeveer even oud, maar de oostelijke wierde is lange tijd de hoogste wierde geweest.

Op de westelijke wierde is duidelijk een overstromingslaag te zien. Dat is grond die zich heeft afgezet tijdens een grote overstroming. Er is op de westelijke wierde ook een grote ophoging gevonden, Die stamt uit de periode waarin de eerste kerk werd gebouwd.

Vondsten

In de bodem zijn zaden en plantresten gevonden. Hierdoor weten we hoe men in Ulrum leefde. Er is een tuinboon, gerst, vlas en zwart mosterdzaad gevonden. Maar ook wol, mosselschelpen, een metaalslak, veen en hout. Veen en hout waren zeldzaam op de wierde en zijn waarschijnlijk aangevoerd van elders.

Uit de schelplagen en vondsten van mosselschelpen in boringen van archeologen maken we op dat de zee een belangrijke bron was van voedsel.

In veel boringen is materiaal uit de latere middeleeuwen (1000-1250 na Chr.) gevonden, bijvoorbeeld baksteen en mortel. Dit betekent dat in die periode de wierden nog flink zijn opgehoogd.

Hieronder een keuze uit de voorwerpen die ooit in en om Ulrum zijn gevonden.

Verbrande zaden van wilde planten en stukjes verbrande mest laten zien dat ook mest als brandstof werd gebruikt.
Bronzen schijf-fibula (mantelspeld) uit de wierde Westerhouw-Oost, bij Ulrum
450-1050
Noordelijk Archeologisch Depot, Nuis
Benen beslagplaatje (waarschijnlijk van een gordel) uit een grafveld bij de wierde Elens (bij Ulrum).
450-1500 na Chr.
Wierde Elens (grafveldje), gem. Ulrum
Noordelijk Archeologisch Depot, Nuis
Stuk van een benen kam (je ziet 2 tanden) uit een grafveld bij de wierde Elens (bij Ulrum).
450-1500
Noordelijk Archeologisch Depot, Nuis
Gerestaureerde kogelpot uit een grafveld bij de wierde Elens (bij Ulrum).
450-1500
Noordelijk Archeologisch Depot, Nuis
Geglazuurd zalfpotje uit de wierde Menneweer (bij Urum).
Na 1500
Noordelijk Archeologisch Depot, Nuis

Catharinakerk

We zagen al dat Ulrum op twee wierden is gebouwd. De Catharinakerk ligt op de westelijke wierde. De kerk werd rond 1225 gebouwd en staat er nog steeds, hoewel er door de eeuwen heen veel aan is veranderd.

Waarschijnlijk kwam het chistendom pas aan het eind van de 8ste in Ulrum. Vóór de bouw van de stenen romaanse kerk uit de vroeg 13de eeuw zal er vrijwel zeker een houten kerkje of kapel op de wierde hebben gestaan. Het oudste deel is waar nu het koor en de preekstoel staan. Kort daarna werd de wierde opgehoogd en de kerk uitgebreid.

De heilige waarnaar een kerk is genoemd wordt ‘patroonheilige’ genoemd. De patroonheilige van de Catharinakerk is de heilige Catharina van Alexandrië. Dit weten we omdat de grootste van de twee klokken in de toren het volgende opschrift draagt: ‘’Sancta Caterina bin ick ghete’. Naast het opschrift is de heilige afgebeeld. Catharina stierf voor haar geloof in 310 na Christus. Keizer Maxentius veroordeelde haar tot de marteldood op een houten rad met ijzeren punten. Je kunt deze heilige daarom vaak herkennen aan het rad, een groot wiel, waar zij mee wordt afgebeeld.

Ook in de tweede helft van de 13de eeuw bouwde men een losstaande toren, een simpele rechthoekige verdedigingstoren die open was aan de onderkant. De eerste verdieping was te bereiken met een losse houten trap. In geval van een beleg kon die trap makkelijk binnen gehaald worden.

Enkele eeuwen later werden toren en kerk met elkaar verbonden door er een stuk tussen te bouwen. In de 17de eeuw kreeg de kerk zijn huidige vorm. Binnen zie je koepelgewelven met ribben die in een rozet eindigen.

Zuizijde van de catharinakerk.

Op de spits van de kerktoren staat een windwijzer in de vorm van een leeuw. De familie Lewe, de bewoners van de Asingaborg, hadden in de 16de eeuw veel macht in de streek. Deze familie had bijvoorbeeld het recht om de pastoors in een aantal kerken te benoemen. De familie Lewe had een eigen koorbank vlak bij de preekstoel. Onder de kerk hadden ze een eigen grafkelder. Aan dergelijke dingen kun je zien hoe belangrijk deze familie was.

In de oostmuur van het koor zit een nis. Op deze plaats stond het waterbekken waarin de priester zijn handen waste. Stukjes van de heilige hostie die aan zijn handen kleefden kwamen zo in het water terecht. Door een opening in de nis werd het water naar de gewijde grond van het kerkhof afgevoerd. Ook in de muur van de oude pastorie in Warffum vinden we nog zo’n nis.

Aan de zuidkant van de muur zit een klein venster, een ‘hagioscoop’. Door dit venster konden gelovigen die niet in de kerk mochten komen, bijvoorbeeld omdat ze een besmettelijke ziekte hadden of misdaden hadden begaan, toch het altaar en de priester zien. ‘Hagioscoop’ betekent eigenlijk ‘zicht op het heilige’.

Een belangrijk moment in de geschiedenis van de protestantse kerk was de zogenaamde ‘afscheiding’. Dat gebeurde in 1834. De Ulrumse predikant De Cock kon zich niet meer vinden in de leer van de kerk en besloot een afsplitsing te vormen. De Cock werd daardoor een bekende naam in de geschiedenis van Nederland. Naar hem is de basisschool in Ulrum vernoemd.

Ulrum, Catharinakerk. Deze oude kerk heeft een zogenaamd recht gesloten koor. Zo zagen veel romaanse kerken er in Groningen en Friesland uit. In Godlinze werd er aan de Pancratiuskerk in een latere periode een vijfzijdig koor gebouwd. Je ziet dat er zowel gotische (spitsbogen), als romaanse (rondbogen) vensters in deze kerk zijn.

De Catharinakerk ligt op de meest westelijke wierde. Vanaf de kerk is het een paar minuten lopen via de kerkstraat, naar de oostelijke wierde waar ooit de Asingaborg stond.

De bloei van de Asingaborg

De geschiedenis van de Asingaborg gaat terug tot vóór 1400, toen er op dezelfde plek een boerderij stond. Deze boerderij maakte in 1659 plaats voor de Asingaborg, een vorstelijk verblijf.

Al vroeg in de middeleeuwen slaagden bepaalde families er in land, macht, aanzien en rijkdom te verzamelen. Deze machtige landheren werden “jonkers” genoemd. Hun positie werd in de loop der tijd vaak geleidelijk uitgebouwd totdat ze ook de rechtspraak in handen hadden. Meestal hadden ze het recht om priesters te benoemen en in de wijde omgeving belastingen te heffen. Bovendien waren er nog de inkomsten uit pacht. Dat is een soort huur die boeren aan hun landheren betalen.

Met een verzekerd hoog inkomen konden ze het zich veroorloven de huizen waarin ze woonden steeds groter en voornamer te maken. Deze landhuizen worden in Groningen “borgen“ en in Friesland “stinzen” genoemd.

In de 17de eeuw bloeiden de borgen op tot lusthoven. Overal in Friesland en Groningen stonden deze elegante gebouwen, vaak omringd door fraai aangelegde siertuinen, boomgaarden en moestuinen. De Asingaborg was het elegante hart van Ulrum.

Asingaborg.

Borgen waren belangrijk voor de economie, omdat ze werk gaven aan bewoners van de naburige dorpen en goederen kochten van handelaren uit de streek.

Borgen bleven soms generaties lang in handen van dezelfde familie. Veel families bezaten meerdere borgen.
Afbeelding van de Asingaborg op een oude kaart van Groningen.

De toegang tot de Asingaborg met een jager, honden, een melkmeisje en een landbouwer. De borg had een belangrijke plaats in het leven van de bewoners van een dorp. Deze tekening uit de 18de eeuw laat zien dat het rond een borg meestal een komen en gaan van mens en dier was.

​De ondergang van de Asingaborg

Tegen het einde van de 18de eeuw, dus het tijdvak van pruiken en revoluties, kwam er een eind aan de voorkeursbehandeling van de jonkers. In korte tijd werden de inkomsten van de families minder. Families met meerdere borgen raakten in geldnood. De familie Asinga in Ulrum onderging hetzelfde lot.

Aan het begin van de 19de eeuw, de tijd van burgers en stoommachines, werden veel borgen verkocht, omdat de families ze niet meer konden onderhouden. Ze werden meestal verkocht “op afbraak”, dat wil zeggen dat iedereen onderdelen van de borg kon kopen. De stenen, de meubels, de hekken, de planten en bomen werden op een veiling verkocht. Een borg was op die manier niets meer dan een voorraad oude bouwmaterialen en tweedehands spullen.

In 1809 werd ook de Asingaborg in Groningen op afbraak verkocht. Jan Andries uit Kollum kocht de borg voor 6000 gulden. Het werd afgebroken en het puin dat vrijkwam is gebruikt voor het versterken van dijken.

De ondergang van de borgen was niet alleen voor de bewoners slecht nieuws, maar ook voor veel mensen die voor hun inkomen van de borg afhankelijk waren, zoals ouderen die vaak klusjes in en om het huis deden.

De terreinen waar vroeger een borg stond zijn soms nog herkenbaar aan een open plek met bomen en een gracht, maar soms is er alleen nog een straatnaam die aan de oude borg herinnert. In Ulrum is het borgterrein nog steeds herkenbaar in het Asingapark.

Station Ulrum

In 1922 vertrok de eerste trein vanaf het station Ulrum. Het station lag op de spoorlijn van Winsum naar Zoutkamp, ook wel ‘Marnelijn’ genoemd. Aan deze spoorlijn werden 5 identieke stationsgebouwen neergezet. De spoorverbinding heeft maar 20 jaar bestaan. Al vanaf het begin maakte de lijn niet genoeg winst. Dit kwam vooral door de snelle toename van het autoverkeer en de opkomst van busondernemingen.

Historische foto van het station Ulrum. Bron: www.stationsweb.nl Uit: collectie E. Wolters.

In 1942 sloopten de Duitse bezetters de spoorbaan om het materiaal, vooral het kostbare staal van de rails, ergens anders te gebruiken. Na de oorlog werden de rails niet meer hersteld en werd de spoorbaan opgeheven. De gebouwen in Ulrum, Leens en Zoutkamp staan er nog.