Tijdvensters

In ons geschiedenisonderwijs wordt de Tijdlijn van de Rooy gebruikt. Deze tijdlijn, bedacht door een commissie onder leiding van de hoogleraar De Rooy, verdeelt de geschiedenis van Nederland in 10 tijdvensters. Deze tijdvensters zijn genoemd naar de meest opvallende eigenschappen van de periode die ze beschrijven. De prehistorie wordt daarom het tijdvak van jagers en boeren genoemd. Wij gebruiken de 10 tijdvensters op deze website, omdat ze in het onderwijs en de meeste onderwijsmethoden voor geschiedenis worden gebruikt.

3500 vC – 500 vC (tijd van jagers en boeren)

Rond 3500 voor Christus bleven groepen mensen voor langere tijd in het gebied van de waddenkust wonen. Ze leefden van visvangst, jacht en verbouwden granen. In de perioden dat het er te nat was om te blijven trokken de bewoners weer weg.

Langs de kronkelige waterlopen van de kwelders was het land vaak iets hoger. Dat waren goede plekken om te wonen. Toch bleef het ook op die verhogingen niet altijd droog. Daarom begonnen de bewoners deze plekken later op te hogen met zoden uit de omgeving. In Groningen ontstonden op die plekken de wierden en in Friesland de terpen. Eeuwenlang bleven de bewoners komen en gaan, waarschijnlijk in kleine groepen.

Voorbeelden uit de tijd van jagers en boeren:

500 – 500 (tijd van Romeinen en Germanen)

De eerste eeuwen van onze jaartelling was een periode waarin legers van het romeinse rijk grote stukken van Europa doorkruisten. Ze zochten naar gebieden die ze aan het rijk konden onderwerpen. Vaak waren de oorspronkelijke bewoners daar niet van gediend en er werd stevig gevochten, zoals in Gallië, Germania en Friesland. De romeinse legers waren goed georganiseerd en wonnen meestal.

Dwars door Nederland liep de noordelijke grens van het enorme romeinse rijk, ongeveer van Nijmegen tot Katwijk. Hoewel de mensen in het terpen- en wierdenland geen onderdanen van het  rijk waren, hadden ze wel contact met Romeinen, want overal vinden we voorwerpen die door de Romeinen zijn meegebracht. Ze werden gedwongen belasting te betalen in de vorm van koeienhuiden, maar dreven ook levendig handel met de Romeinen.

Voorbeelden uit de tijd van Romeinen en Germanen:

 

Deel van een romeinse mantelspeld, of fibula, gevonden in de omgeving van Firdgum. Archeologisch Depot Nuis.

500 – 1000 (tijd van monniken en ridders)

Na het vertrek van de Romeinen uit Nederland bleven de bewoners van het terpen- en wierdengebied in grote groepen, soms stammen genoemd, leven. De maatschappij, hun geloof, hun cultuur leek heel sterk op die van de bewoners in de omliggende streken. Waarschijnlijk vereerden de bewoners de germaanse goden die in Duitsland en Scandinavië werden vereerd, zoals Wodan en Odin.

Langzaam kwam daar verandering in, want vanuit het zuiden kwamen de eerste missionarissen die de bevolking het Christelijk geloof leerden kennen. De germaanse stammen bekeerden zich niet zomaar, er was veel weerstand. Langzamerhand verdween het geloof in de germaanse goden. Na komst van de missionarissen werden de eerste kloosters gevestigd. De monniken hadden grote invloed op de omgeving. Zij begonnen met het aanleggen van dijken.

Voorbeelden uit de tijd van monniken en ridders:

1000 – 1500 (tijd van steden en staten)

In deze periode zien we de eerste steden ontstaan. Ook krijgt de bewoning van dorpen een vastere vorm. De bewoners van de dorpen worden handelaren, ambachtslieden, of boeren. Ze gaan zich specialiseren. Overal in Europa ontstaan ook landen en landjes met een eigen bestuur, doordat de mensen voelen dat ze bij elkaar horen.

De terpen en wierden worden als het nodig is nog steeds opgehoogd, maar niet lang meer, want de monniken die in het gebied zijn komen wonen beginnen met het aanleggen van dijken.

De belangrijkste families zijn rijk genoeg om sterke stenen woningen te bouwen. Dat zijn de stinzen, of steenhuizen. Later, in de tijd van regenten en vorsten, groeien deze versterkte huizen verder uit.

Voorbeelden uit de tijd van steden en staten:

1500 – 1600 (tijd van ontdekkers en hervormers)

De wereld wordt groter in de tijd van ontdekkers en hervormers, want de Europeanen steken de oceanen over en ontdekken nieuwe continenten. Daardoor verandert ook de handel, want uit de verre streken komen nieuwe handelswaren. Minstens even belangrijk is dat ook het denken over de wereld verandert.

De rooms-katholieke kerk wil het Christendom verspreiden over de wereld, ook in de verre streken die volgens de mensen van toen bevolkt werden door ‘heidenen’. Tegelijkertijd verandert ook in Europa het Christendom. Binnen de kerk staan mensen op die verandering eisen. Het protestantisme ontstaat.

De kloof tussen de traditionele gelovigen en de protestanten leidt tot een lange oorlog die in heel Europa voor veel onrust zorgt. In het terpen- en wierdenland zijn daar geen sporen meer van zichtbaar, omdat er geen typische bouwwerken uit die tijd over zijn. Op andere plaatsen in Groningen en Friesland werden bijvoorbeeld vestingen en schansen gebouwd.

Voorbeelden uit de tijd van ontdekkers en hervormers:

1600 – 1700 (tijd van regenten en vorsten)

Na de woelige periode  van godsdienstoorlogen keert de rust terug en krijgt Nederland de kans op adem te komen en veel geld te verdienen met de handel uit de koloniën. Aanzienlijke families nemen de touwtjes van het bestuur in handen en weten door onderlinge huwelijken rijker en machtiger te worden.

In het terpen- en wierdenland is dat goed te zien, want de grote versterkte boerderijen van de rijke landadel worden omgebouwd tot stinzen en borgen. Eigelijk is dat iets tussen een kasteel en een versterkte boerderij in. De eigenaren van de borgen en stinzen waren niet alleen de belangrijkste eigenaren van land, maar waren ook degenen die recht spraken en belangrijke functies in het bestuur van de dorpen, de kerk en de provincies hadden. De borgen en stinzen werden daarom het symbool van rijkdom en macht.

Voorbeelden uit de tijd van regenten en vorsten:

1700 – 1800 (tijd van pruiken en revoluties)

Er zijn grote veranderingen op komst. De rijke families die overal de dienst uitmaken laten juist in deze periode zien hoe goed ze het hebben. De borgen en stinzen veranderen in lusthoven waar pracht, praal, kostbare kleding, dure serviezen en rijk versierde meubelen de toon zetten. Vrouwen, maar ook mannen, dragen opzichtige pruiken. Daarom wordt deze periode ook wel de ‘pruikentijd’ genoemd.

Tegelijkertijd beginnen de welvarende burgers zich aan deze opzichtige groep mensen te ergeren. Het ergert hen vooral dat alle belangrijke functies in het openbare leven door de stadhouder onder deze groep worden verdeeld. De ontevreden burgers, ‘patriotten’, keren zich tegen de jonkers. Aan het einde van de eeuw wordt de stadhouder afgezet. De macht van de aanzienlijke families neemt snel af. Dan begint de Franse Tijd die tot 1813 zal duren.

Voorbeelden uit de tijd van pruiken en revoluties:

1800 – 1900 (tijd van burgers en stoommachines)

In de tijd van burgers en stoommachines verandert de wereld snel. Het is een tijd waarin industrie en machines de plaats innemen van veel handwerk, ook in de landbouw. Het is ook een tijd waarin het vervoer van mensen en goederen sneller wordt. In deze periode zien we de maatschappij snel veranderen. Een nieuw soort mens, de welgestelde burger, verschijnt op het toneel en krijgt een stem.

De statige borgen in Groningen en stinzen in Friesland verdwijnen één voor één uit het landschap. De families kunnen het dure onderhoud eenvoudigweg niet meer betalen. Veel borgen worden gesloopt en de bouwmaterialen worden verkocht. Hier en daar verschijnen de fabrieken die een nieuwe welvaart voor de bewoners van de kuststreek met zich meebrengen.

Voorbeelden uit de tijd van burgers en stoommachines:

1900 – 1950 (tijd van wereldoorlogen)

In de woelige eerste helft van de 20ste eeuw produceren wetenschap en techniek in hoog tempo onvoorstelbare vernieuwingen, terwijl de mensheid twee keer een vreselijke periode van totale oorlog en een slopende economische crisis meemaakt. Veel dorpen verliezen in de tweede wereldoorlog hun joodse gemeenschappen, waarvan nu alleen begraafplaatsen en lege synagoges overblijven.

De wereld verandert sneller dat ooit tevoren. Ook in het terpen- en wierdenland zijn deze ontwikkelingen voelbaar. De wetenschap van de archeologie bloeit op waar de terpen worden afgegraven voor vruchtbare landbouwgrond.

Overal verschijnen transformatorhuisjes waar het elektricteitsnet zich uitbreidt over het platteland.

Voorbeelden uit de tijd van wereldoorlogen:

1950 – nu (tijd van tv en computer)

De tijd na de Tweede Wereldoorlog noemen we ‘modern’. De eerste jaren na het einde van de oorlog in 1945 waren moeizaam en er werd hard gewerkt om het land weer op te bouwen. In de jaren 60 van de 20ste eeuw ging het beter. Er werden overal in Nederland winkelcentra gebouwd, zoals in Amerika. De mensen werden mobieler. Veel gezinnen kregen een auto en daarmee verschenen ook de eerste garages. Die kun je in veel dorpen nog terugvinden.

Naast alle vooruitgang was er nog steeds een dreiging van oorlog. We noemen dat de ‘Koude Oorlog’, want gevochten werd er niet. De westerse landen en de landen die we toen het ‘Oostblok’ noemden, de Soviet-Unie en de meeste landen van Oost-Europa, bewapenden zich heel snel. Iedereen was bang en er bestond vooral een grote angst voor de Soviet-Unie, want die bezat de atoombom. Overal in het landschap zag je torens verschijnen van waaruit de lucht afgespeurd werd naar Russische vliegtuigen.

De snelle ontwikkeling van de technologie was ook zichtbaar in de de land- en tuinbouw, waar steeds meer werk door machines werd gedaan. Een landbouwbedrijf nu lijkt nog steeds op een boerderij uit de 17de eeuw, maar er werken opvallend weinig mensen.

Nu is privacy heel belangrijk, mensen schermen zich af voor de buitenwereld. De terpdorpen, die vroeger open waren, worden nu opgedeeld door tuinomheiningen.

Voorbeelden uit de tijd van tv en computer: